Hengelo werd als rockstad ooit onsterfelijk gemaakt door The Tragically Hip. ´I Remember Buffalo, and I remember Hengelo`, rijmden de Canadese rockers in At the hundredth meridian van hun plaat Fully Completely. Een jaar voor ze dit nummer schreven, traden ze op in de Hengelose poptempel Metropool, en blijkbaar had dat indruk gemaakt. Dat Almelo ook internationaal ´genamedropped´ is, en wel door een nog veel grotere muzikant, is een stuk minder bekend.
Luisterend naar onderstaand fragment kan ik er weinig anders van maken. Op ongeveer 3:10 zingt John Cale hier in de oude Velvet Underground klassieker Waiting for my man toch echt ´Feeling good, in Almelo, where I´ve gone out´? Het nummer staat op de live-elpee John Cale Comes Alive uit 1984. Maar hoe komt-ie in hemelsnaam bij Almelo?
In de jaren ´70 was er in Almelo een schouwburg/concertzaal, De Esch genaamd. Ik was destijds te jong om er een reguliere bezoeker te kunnen zijn. Zag Annie Golden (dat kauwgumkauwende meisje) met The Shirts optreden, maar dat was het wel zo´n beetje. In het zaaltje schijnt zo´n beetje de hele jaren ´70 nederpoptop te hebben gespeeld. Maar ook illustere buitenlandse namen waren er te gast, Beat Generation-dichters Allen Ginsberg en Gregory Corso, en dus ook John Cale.
Ik heb alle mogelijke woordcombinaties gegoogled, over die roemruchte Esch is vrijwel niets terug te vinden. Wel ligt er in de archieven van de Stanford University in California nog een poster van het Ginsberg-Corso optreden in de Esch, en de archivaris was zo vriendelijk mij een pdf-je daarvan te mailen. Over Cale echter helemaal niets, zelfs een gigography geeft geen uitkomst over datum van zijn optreden, laat staan dat er meer details (band? setlist?) te vinden zijn. Waarom hij zich zo goed voelde in Almelo tijdens het uitgaan lijkt dan ook voor altijd in nevelen gehuld te blijven. Tenzij er een lezer is van dit blog die zich hier nog één en ander van weet te herinneren...
Op Northern Agression, de nieuwe cd van Steve Wynn & the Miracle 3, staat een intrigerende cover, The death of Donny B. Het is de titelsong van een obscure korte film uit 1969.
De film staat op youtube, en is via archive.org te downloaden. Het blijkt een intrigerend, rauw, realistisch, en tegelijkertijd verstild, haast poëtisch gefilmd docudrama, als een soort The Wire avant la lettre.
Wikipedia: A Day in the Death of Donny B is a 1969 American short docudrama written and directed by Carl Fick and shot in cinéma-vérité style. Mostly considered an anti-drug film, it was made for the Substance Abuse and Mental Health Services Administration. The film follows its protagonist, Donny B, a young black man who appears to be a heroin addict, as he makes his way through the cruel ghettos of New York City. He tries to score money for his next fix by stealing hubcaps, purse-snatching, panhandling, and engaging in street gambling.The short film's soundtrack mostly consists of voice-overs of his parents despairing over his future, former addicts describing the junkie lifestyle, and cops informing the audience of the consequences of illegal drug use and addiction. Through the run time of 14 minutes, a blues-like tune plays over the footage and voice-overs, with vocals that come in and out during the film, narrating Donny B as he does wrong.
Het vervelende van een festival als Take Root is, dat je nooit bij ieder optreden kunt zijn. Optredens overlappen elkaar, verschillende favorieten spelen op hetzelfde tijdstip.
En dan komt het zo maar voor dat je te lang blijft hangen bij een tegenvallend concert van Isobel Campbell en Mark Lanegan, om daarna met een gesloten deur bij Iron and Wine geconfronteerd te worden. De hoeveelheid aan kwaliteit en namen die Take Root dit jaar bood, maakte het maken van keuzes extra lastig, en dat is één van de weinige dingen die er op deze editie aan te merken valt.
Aanstekelijk De eerste keuze was niet zo´n lastige. Aan Willy Mason de eer om het festival in de kleine zaal te openen, en dat deed hij op sobere wijze, met mooie liedjes en een stem die meermalen aan Townes van Zandt deed denken. In de grote zaal ging daarna Old Crowe Medicine Show van start. Hun mengeling van bluegrass, western swing en andere countrystijlen mag dan verre van origineel zijn, de vaart en energie waarmee gespeeld werd werkte desondanks aanstekelijk. Aansluitend begon in de foyer Deer Tick. Fijne, sloppy country met een stevige rockinjectie, ergens tussen the Band en The Replacements, gedragen door de indringende stem en gedreven voordracht van John McCauley, die aan het eind z´n vuist tot bloedens toe kapot sloeg op z´n snaren.
Authentiek Black Mountain denderde vervolgens met enorm volume door de grote zaal, maar eenvormigheid en gebrek aan echt goed songmateriaal wreekten zich. In de kleine zaal speelde intussen Frank Fairfield, een zanger/multinstrumentalist die er veel aan gelegen lijkt te liggen rootsmuziek uit de jaren dertig, veertig en vijftig zo authentiek mogelijk na te spelen. Interessant en knap, maar tegelijkertijd met de uitstraling van een museumconservator.
Gemist: Iron and Wine
Intensiteit Boven verwachting vormde het optreden van Phosphorescent een echt hoogtepunt. De band speelde een stuk steviger dan op de onlangs uitgebrachte plaat Here´s to taking it easy, maar dat ging zeker niet ten koste van de intensiteit. Bovendien zorgde het ervoor dat het op de loer liggende Will Oldham-epigonisme, vooral veroorzaakt door het onvaste stemgeluid van frontman Matthew Houck, minder nadrukkelijk aanwezig was. Wat bleef was een gedreven set countryrock, met naast Houck een hoofdrol voor gitarist Jesse Anderson Ainslie. Zei iemand Neil Young and Crazy Horse?
Bloedeloos De verwachtingen waren hooggespannen, voorafgaand aan het concert van Isobel Campbell en Mark Lanegan. Hadden deze beauty and the beast immers niet drie prachtplaten vol onheilspellende, spannende duetten afgeleverd? Op het podium bleef van die spanning weinig over. Voornaamste oorzaak was het totale gebrek aan chemie tussen beide hoofdrolspelers. Lanegan klonk rauw, krachtig en bezield als altijd, maar oogde ongeïnteresseerd en leek niet te kunnen verhullen dat hij deze tour toch vooral als lucratief tussendoorklusje beschouwt. Campbell leek nogal geïmponeerd door die indrukwekkende gestalte naast haar en kwam nog meer timide over dan haar fluisterstem al doet vermoeden. Neem daarbij een band die muzikaal degelijk, maar tegelijktijd bloedeloos speelde, en alle ingrediënten waren aanwezig voor een concert dat op den duur vooral aan eenvormigheid begon te leiden. Niet voor niets vormde het door Campbell met Willy Mason gezongen Townes van Zandt nummer No Place to fall het hoogtepunt van het optreden. En dat nota bene na een valse start, veroorzaakt door een rondzoemende microfoon van Mason, die het muisje Campbell, bevrijd van Lanegans druk, even uit haar tere rol deed vallen: `What the fuck is going on? Sorry Willie...`
Kakafonie En dan Wilco, wat moet je van deze band eigenlijk nog zeggen, menig festival mocht wensen zo´n uitsmijter te kunnen programmeren. Bestaan er momenteel betere livebands? De laatste twee platen laten een terugkeer horen naar een wat traditioneler geluid, vergeleken met voorgangers als Yankee Hotel Foxtrot en A ghost is born. Op het podium gaan traditie en experiment nog altijd een natuurlijk verbond aan. Een ingetogen, klein pareltje als Jesus etc. mag in het universum van Tweedy c.s. met de grootste vanzelfsprekendheid worden gevolgd door kakafonische gitaar- en toetsenerupties die je eerder van Sonic Youth zou verwachten. En het leidt ertoe dat een countryfolknummer kan ontaarden in een fantastisch gitaarduel dat op Marquee Moon niet zou misstaan. Jeff Tweedy is de triomfantelijk lachende heer en meester van een band waarin verder vooral een hoofdrol is weggelegd voor gitaarwizzard Nels Cline. Je zou zo´n optreden van Wilco legendarisch kunnen noemen, ware het niet dat dergelijke terminologie slechts bij hoge uitzondering gebruikt mag worden, terwijl je weet dat Wilco iedere avond op deze manier uitpakt op het podium.
Gemist: Dave Rawlings Machine
En zo verlaat je Take Root 2010 met een tevreden en uitgelaten gevoel. Om thuis via diverse tweets en andere social mediaberichten te vernemen dat het optreden van Dave Rawlings Machine (met Gillian Welch!) ´werkelijk legendarisch´ was, en Iron and Wine ´het absolute hoogtepunt van de avond vormde.´ Dan slaat de twijfel alsnog toe. Heb ik dan toch de verkeerde keuzes gemaakt? Of was Take Root 2010 gewoon teveel van het goede...
Het voormalig fabrieksterrein van Ten Cate in Almelo, bekend onder de naam Indië, wordt de komende jaren ontwikkeld tot een woon- en leefgebied, waarbij de industriële historie en sfeer deels bewaard blijven.
Toch moeten grote delen van het uitgestrekte fabriekscomplex gesloopt worden. Om Almeloërs nog een laatste blik te geven op het rijke textielverleden van de stad organiseerde de ontwikkelaar afgelopen zaterdag een open dag. Een prima gelegenheid voor een urbex fotosafari, zonder je daarvoor op een verboden slooplocatie te wagen. Hieronder een kleine impressie, natuurlijk in zwartwit.
Dat ze kringen rond het Groningse Vera al sinds jaar en dag een goede neus hebben voor de luidere gitaarmuziek moge bekend zijn. Wanneer een band daar boogt op een heuse heldenstatus, kun je er dus gerust van uitgaan met iets bijzonders te maken te hebben. The Hex Dispensers, zo heet de band die er afgelopen week een verschroeid podium schijnt achtergelaten te hebben.
Twee platen maakte deze band uit Austin, Texas. Beide vielen in ons land buiten Groningen nauwelijks op, en dat is zeker niet terecht. Tijdloze, vuige garagepunk spelen ze, strak, hard en urgent zoals het hoort. Met catchy melodieën en nummers die allemaal ruim beneden de drie minuten klokken. Denk aan Ramones meet Wipers, Oblivians, New Bomb Turks, The Saints, the usual suspects dus. Helemaal niks nieuws onder de zon, maar voor vernieuwing koop je maar een wasmiddel met nog meer witkracht. Hex Dispensers razen en rocken zoals we dat graag horen. Af te spelen met versterker ver in het rood!